Solotocht door de Vulkaaneifel • een stilteretraite in een oerlandschap


Door Harmen Westerhof, kerngroeplid van Compadres.

Elke winter ga ik erop uit. De stilte in. En de kou. Met de tent. Elke keer kom ik uitgerust terug. Tevreden, meer in mezelf gezakt, opgeladen, evenwichtig. En elke keer wanneer ik erover vertel, word ik door mensen met bewondering, maar ook met bevreemding aangekeken. ‘Wat gaaf! Tsjonge. Maar liever jij dan ik.’ Hoog tijd voor een essay over hoe ik ertoe gekomen ben, wat me beweegt, en wat het met me doet. We schrijven januari 2017.

Een jaar of twaalf geleden ontdekte ik het fenomeen ‘stilteretraite’. Een spiritueel georiënteerde stichting organiseerde allerlei activiteiten voor jongeren van 12 tot 28 jaar, waaronder deze retraites. Ze vonden twee keer per jaar plaats, een in de zomer en een in de winter, vijf dagen lang, in een klooster nabij Werkhoven. Je leert jezelf goed kennen, vooral daar in je bovenkamer… Naarmate we meer zicht hadden op onze gedachten (je moet ze ten eerste maar bewust waar willen nemen, al een hele stap op zich), en het schijnbare enorme belang ervan konden loslaten, kon er verstilling en vrede intreden. Beide retraites hadden hun eigen ‘ding’, maar in de winter ging de verstilling bij mij meestal nog een stukje dieper.
Ik ben een buitenmens. Met kaart en kompas, goede uitrusting, en voldoende kennis zwerf ik de laatste jaren in de zomer door de Alpen, en de rest van de seizoenen door de Eifel, de Hoge Venen en de hooglanden van Schotland. Het wandelen door allerlei landschappen, ben ik gaan verbinden met landschappen in mezelf. Mijn buitensportervaring had me met de jaren naar steeds meer verlaten gebieden gebracht, en moeilijkere omstandigheden zoals kou, wind, verminderd zicht, gladheid en nattigheid heb ik steeds beter mee leren omgaan. Zo ook met moeilijkheden die ik af en toe beleef… Tijdens die tochten is het de fysieke inspanning op zich die me deels tot rust brengt. De isolatie en de stilte doen de rest. De stilte in de natuur heeft een bijzondere kwaliteit. Wat ik met mijn zintuigen waar kan nemen aan geuren en kleuren, warmte en kou, aan schoonheid, voegen alleen maar toe. Soms ben ik in een staat van onbevangen, directe waarneming, als een baby die alleen maar verwonderd kan zijn over alles. Een ervaring van diepe aanwezigheid. We komen tot de kern: aanwezig zijn, met alles wat is. Om dat te kunnen leven, thuis, met mijn collega’s, met mijn familie, met (eh, zonder) mijn nu ex-geliefde, met de 5-baans ringweg voor mijn huis, heb ik het nodig om deze tochten te maken. Me terugtrekken, in retraite gaan dus, en mezelf ervaren. De verbinding met mezelf niet zozeer zoeken, maar laten ontstaan. Dat vraagt vertrouwen en overgave!

Het is zondag wanneer ik met de trein naar Hillesheim in de Vulkaaneifel vertrek, met het plan vier dagen te gaan lopen. Ik vervolg de tocht van de vorige winter, en ik loop verder langs de Eifelsteig: een langeafstandspad van 300 kilometer dat me na nog een paar winters uiteindelijk naar Trier zal brengen. Met een grote glimlach maak ik m’n eerste selfie in de sneeuw, en de tocht kan beginnen. Eenmaal buiten het dorp zijn dan zelfs de wegen en de paden wit, en fonkelen in de zon. Ik kom aan, en haal diep adem: híérvoor ben ik gekomen. Ik blijf even staan, en ik geniet van het moment. Even verderop vallen me steeds meer details op. Mijn waarneming breidt zich uit; dit herken ik van andere tochten. Sneeuwkristallen, verschillen in diersporen, het licht dat overal anders landt en breekt… de vrieslucht dringt dieper in mijn longen in. Ik laat me raken, door mezelf, door de stress van de op de klippen gelopen relatie, van mijn lege gevoel, mijn diffuse en wispelturige energie en oude pijn. Het mag er zijn. Hier ben ik. En ik loop verder…
Het lopen gaat goed, ik leef helemaal op. Het tempo gaat als vanzelf omhoog, en na een halfuur moet ik de teugels weer innemen. Te snel teveel. Daar herken ik mezelf in. Makkelijk ‘begeistert’ (ik woon al een tijdje in Duitsland) ga ik nog weleens aan mezelf voorbij. In aanwezigheid leven vraagt van me dat ik op mezelf let, doe wat goed is voor mezelf. Grenzen verleggen heb ik in m’n relatie genoeg gedaan. Te lang doorgegaan met iets dat niet werkte. Signalen waargenomen, maar toch ontkend. ‘Innerlijke stemmetjes’ die ons aanspoorden om vol te houden. Het maakt nu niet meer uit. Ik sta hier nu alleen. Dat is de realiteit. En die wint meestal… Evengoed valt het me op dat ik me niet alleen voel. Ik sta hier met mezelf. En dat is al heel wat.
In het volgende dorp kijk ik voor de lol even op de buitenthermometer van een van de huizen. Ik lees af: -8°C. Dat is de comforttemperatuur van mijn slaapzak! En het moet nog nacht worden. Shit. Dat hadden de weersvoorspellingen niet gezegd… Bij het volgende uitzichtspunt staat een schuilhut, zie ik op de kaart: mijn doel voor de dag. De inspanning van het bergoplopen ontspant me. Ik neem het lage tempo aan waarmee ik ook de Alpen op loop, met een gestaag ritme dat ik de hele dag vol kan houden. Het verlangzaamt, verstilt. Adem in, links, rechts…, adem uit, links, rechts…, adem in… Boven aangekomen zie ik kinderen een helling af suizen. Ik knoop een gesprekje aan met de ouders, en ga weer. Stil zijn hoeft niet te betekenen dat je je hecht aan de stilte 🙂
Na een weergaloze zonsondergang bereid ik me voor op de nacht. Koken vanuit de slaapzak (muts op, donsjack aan), dan de slaapzak weer uit en actief warmlopen. Met die warmte de slaapzak in, en hopen dat die warmte bij me blijft! De waterflessen en de schoenen komen mee de slaapzak in, tegen bevriezen… Dan is het 18.00, licht uit voor de nacht. Liggend mediteren, en slapen. 13 uur lang. In de volgende nachten ook.

De volgende ochtend stel ik vast: slaapzak goedgekeurd. Op een paar koude momenten na, ben ik de nacht goed doorgekomen. Ik maak ontbijt en ga weer op pad. Vrieskou en nevel begroeten me. Het zicht is beperkt tot 50 meter. Goed genoeg. In mijn eigen leven kan ik soms ook niet veel verder kijken… Na een paar kilometer ga ik de volgende heuvel op, en daar ontdek ik een grot waar eeuwen geleden molenstenen zouden zijn uitgehakt.
De grot is niet diep, zo´n 30 meter, en ik zie de sporen van het werk duidelijk. Wanneer ik binnenin een flauwe bocht om ga en dan m´n hoofdlamp uit doe, is het donker. Een soort donker, die ik nog niet eerder heb beleefd. Je hebt het donker in huis, het donker onder een sterrenhemel, het donker in een bos, het donker in een kelder, enzovoort. Je ogen wennen eraan, en na een paar minuten zie je meestal toch wel iets. Maar ook hier zie ik na tien, vijftien minuten nog steeds niets. Ik observeer gedachten en gevoelens over het verliezen van controle, over machteloosheid. Mijn hoofdlamp kan ik zó weer aan doen, maar ik doe het niet.
Na een kort verblijf in het binnenste van dit oude vulkanisch landschap, adem ik dieper, voel ik me meer bij mezelf. En stil, zó stil… alsof er niets anders op de wereld is dan die stilte. Wat zou ik graag ik deze grot zijn blijven slapen – dit roept erom ervaren te worden. Iets voor een volgende winter, neem ik mezelf voor. Dan groet ik de vleermuizen aan het plafond, en ga weer op weg.

 

Harmen

 

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *